Rollen in beeld.

Overlevingsstrategieën leven ons leven, denkend dat ze ons zijn. Welke rollen ik nu aantref in deze karakterlaag? De opwindende zeevrouw en ook de eenzame vuurtorenwachter staan in deze levensfase op de voorgrond.
De opwindende zeevrouw banjerend over de onvoorspelbare zee. Ik heb deze spannende persoonlijkheid in het leven geroepen als tiener omdat ik het leven saai vond. Heel weinig in mijn leven resoneerde met wat me echt boeide dus creëerde ik mijn eigen tijdverdrijf. Ze werd veel vrouw. Aanstellerig en idolaat. Soezerig en woelig tegelijk. Altijd op zoek naar avontuur. Dat heb je met wilde zeevrouwen. Om erbij te horen leerde ze zich beheersen. Niettemin mijn pogingen om haar te milderen, vloog ze op onbewaakte momenten uit de bocht om de simpele reden dat haar rol niet eenvoudig is. Haar veelkleurige veelheid valt op. Stiekem geniet ze om in het middelpunt van de aandacht te staan. Ben ik dat extraverte? Ik heb lang gedacht dat ik mijn hyperkinesie was, dat oeverloze. Ik kom erachter dat ik het niet ben. Met dat haar rol loskomt van mijn wezen, vind ik terug rust. De zeedame is slechts een manier om sprankels toe te voegen aan het levensloze.
Omdat het leven niet weerklonk met de diepte van mijn ziel en die ziele-diepte vreemd was voor de wereld, is zij zich gaan verstoppen. De excentriekeling werd een eenzaat. In het vastlopen binnen haar toren staart ze weemoedig naar het ongeremde leven op zee. Ze verlangt naar het leven temidden van beide werelden. Naar de zeevrouw die het rif bevaart zonder stuk te lopen achter de kliffen. Naar de landvrouw die verpoost in de duinen, vrij van slot en grendel. Ik begin de onmogelijke band tussen deze twee overlevingsstrategieën in te zien. Ik zie nu helder het ontbrekend midden: Waar is de koppelaarster? Waar is die havenmeesteres die de twee werelden verbindt? Ben ik de semi-kluizenaar? Ik heb lang geschipperd tussen het introverte en het extraverte deel in mij. Ik dacht dan maar dat ik ambivert was. Ik ben geen van beide. Allebei zijn coping.
De havenmeester tussen zee en land lijkt ver zoek. Waar is zij die de zee komt verbinden met het land? Zij die op de kustlijn de schakel vormt tussen schipper en wachter? Zij die de aanlegsteiger voorbereid voor de vaarvrouw om aan wal te gaan of voor de oppasser om aan boord te komen. Die onmisbare koppelaarster, waar is zij? Zonder haar doolt de schippersvrouw op zee, moddert de wachter voort aan land. De wachter die stiekem verlangt naar het pakkende van de zee, de schipper die fantaseert over verstillen op vasteland. De schipper die onmogelijk de wispelturige zee kan verlaten, de wachter die trouw blijft aan de vertrouwde landmassa. Zonder dat middenstuk blijft het liefdesverhaal een gespleten verhaal over onmogelijke liefde. Is de havenjuffrouw dan wie ik ben? Ik zou kunnen denken dat ik dat middenstuk werkelijk ben. Zij zou als rol van pas komen om mijn extravaganties samen te brengen tot een meer evenwichtig bewegen in mijn leven. Haar rol zou dienend zijn om mij als mens van vlees en bloed op het aardse toneel een hoofdrol te geven.
Mijn persoonlijkheid mist inderdaad het kustportaal dat beide extremiteiten met elkaar verbindt tot een matig midden. Die de surveillant in de toren die bang is om bedolven te raken in het beweeglijk leven op zee, verbindt met de zeedame in haar bangigheid voor het saaie. Die de landdeerne die in het onstuimig leven van de schipper kopje onder zou gaan, verbindt met de kapiteine die zou versomberen in eenzaam bestaan. Hoe vinden ze elkaar? Vanuit haar toren richt zij haar gedegen lichtbundel op het schip van haar geliefde. Vanop zee richt zij een lichtsein naar de toren van haar lieveling. Ze werpen elk op hun manier hun licht naar elkaar, overbruggen zo de afstand van de golven. Maar echt dichtbij elkaar komen, doen ze nooit. Daarvoor is de zee te wild. Daarvoor is het land te eentonig. Zo toont zich ook de liefde zich in mijn leven. De mannen die ik in mijn leven aantrek spiegelen in mij de spagaat tussen de onmogelijke liefde in mezelf.
Waarom word ik niet gewoon verliefd op een zeemens van ander schip, voor een gezamenlijk feestje in mijn kajuit? Iemand die de zee niet vreest. Die van boten met veel bemanning houdt. Waarom blijf ik desolaat gespitst op die solitaire toren bij zee die nooit de zee in zal gaan? Dit vraagstuk is de mijne, elk antwoord ligt in mij. De uitdagende liefde tussen het honkvaste en het onstuimige speelt zich af in mijn binnenwereld. Ik ben de schipper, ik ben de wachter. De zee lokt me in haar opvallende avonturen. Op het land hou ik me onopvallend schuil. Als ik de dingen anders wil zien buiten mij, als ik iets nieuws wil aantrekken, dan heb ik eerst te kijken naar wat er nu in mij is. Hoe verzoen ik de schipper met de wachter in mezelf? Hoe herstel ik het evenwicht tussen het avontuur dat niet kopje onder gaat met het huiselijke dat zich niet opsluit tussen vier muren? Ik hoef beide rollen niet op te geven. De zeevrouw is mijn onderzoeker dat het leven tot in het diepste diepe ervaart. Zij exploreert onbekende wateren en brengt in kaart wat ze beleeft. Zij is mijn hart dat zinvol klopt. Ik kan onmogelijk de wachter verlaten want zij is de thuishonk waar ik bijkom van avontuur. Zij is mijn bekken waarin ik aard. Hoe wortel ik mijn hart in mijn bekken? Ik kan met mezelf afspreken om niet voorbij het rif uit te varen. Ik kan beslissen dagelijks uit mijn toren te stappen om de wereld in te gaan. Als het leven balans hervindt in mij; wordt het leven evenwichtiger buiten mij. Zelfs als meerminnen lonken.
Want als mijn schippersrol het drama laat, als zij haar zeilen weet bij te stellen zodat haar aanwezigheid uit de overrompelingen blijft, wie weet neemt de wachter de trap voor een ritje op zee. De zeevrouw neemt tijd voor thee in haar toren. Of ze spreken af aan de kustlijn voor een wandeling met de kustwachter als gids. Het trio struint blootsvoets door de duinen tussen zee en rots, daar waar zonlicht hen naartoe beweegt.
Mademoiselle Marteaux